De definitie van roofvis is redelijk eenvoudig, namelijk vissoorten die zich voeden met andere vissen of dierlijk voedsel. In casu maakt dit dus van vrijwel elke vis een roofvis, maar toch maken we onderscheid in soorten die dat wel of niet structureel doen, en daar dus fysiek ook op geëvolueerd zijn. Denk aan het ontwikkelen van tanden en schutkleuren. In de hengelsport definiëren we de volgende soorten als roofvissen:

Snoek – Esox Lucius L.

De snoek is de op één na grootste vissoort in dit land, en kan een lengte van een kleine anderhalve meter bereiken (NL record is 138,5 centimeter). Deze vis houdt zich graag op tussen de waterplanten, waarbij deze vooral een voorkeur voor fonteinkruid heeft. Tussen deze planten ligt de snoek in een hinderlaag te wachten op passerende prooivis, die met een snel schot wordt overvallen. Naast vis foerageert de snoek op allerlei andere prooidieren, zoals ratten, eendenkuikens en ringslangen. Eigenlijk eet de vis alles wat in de bek past (en die is groot!). We vinden de snoek vaak op ondieper en helder water, of op de taluds naar dergelijke plateaus toe. De vis paait als eerste van alle vissoorten, zodat de jonge snoekjes al een voorsprong op hun prooivis hebben. Hierdoor kunnen de jongen zich voeden met het broed van vissoorten die na de snoek paaien.

Snoekbaars – Stizostedion Lucioperca L.

De snoekbaars is de grootste paarsachtige (Perciformes) in Nederland, en kan een lengte van zo’n 1.20 meter bereiken. In de praktijk wordt een vis van 90 centimeter al als zeer groot beschouwd onder sportvissers, en exemplaren boven de meter zijn al zeer zeldzaam. De snoekbaars is een vis die van troebel en diep water houdt, waarbij de vis graag structuur opzoekt, zoals steile taluds, bulten en kuilen. De vis is lichtschuw, door de aangepaste ogen (“glasogen”) om in troebel water en duisternis te kunnen zien. De vis is een typische nachtjager, maar kan zeker ook goed overdag worden gevangen. Tijdens de paai maakt het mannetje een nest (kuiltje in de bodem) op ondieper water, waarin het vrouwtje kuit schiet. Na de bevruchting door het mannetje bewaakt deze dan nog weken fanatiek het nest, waarbij hij alles aanvalt wat in de buurt komt. Snoekbaars voedt zich met wat kleinere prooien dan snoek, zoals blankvoorn en spiering.

Baars – Perca Fluviatalis L.

De baars is een veelvoorkomende en zeer herkenbare roofvis. Door zijn opvallende zwarte dwarsstrepen en knalrode vinnen is deze vis een prachtige verschijning. De baars is een typische scholenvis, en waar je er één vindt, vind je er meerdere. De baars is net als alle baarsachtigen gek op structuur, en lijkt een voorkeur voor steenstort te hebben als verblijfplaats. Tussen deze stenen vindt de baars zijn prooi, bestaande uit kleine kreeftjes en kleine prooivis. Ook is de baars een kannibaal, die graag kleinere soortgenoten eet. Als zichtjager geeft de baars de voorkeur aan helder water. De maximale grootte is een ruime halve meter, waarbij een exemplaar boven de 50 centimeter als zeer groot wordt gezien.